viernes, 30 de mayo de 2014

Hallo iedereen,

Leuk dat jullie deze blog volgen, dan weet ik tenminste dat mijn tochtje naar Santiago (en terug) een beetje gevolgd wordt door het thuisfront.
Zoals jullie weten is de fietstocht ten bate van het Kinderkankerfonds. De actie wordt er ook aangekondigd: dat kan je hier bekijken.
Er bestaat ook een Facebookpagina "Amigos de Santiago", waar geregeld berichten en foto's zullen gepubliceerd worden. Neem hier maar al eens een kijkje.
In de mate van het mogelijke probeer ik elke dag een verslag van mijn traject te geven. Niet altijd evident, dat zal een beetje afhangen van de beschikbaarheid van computer en/of WiFi.
Mochten jullie zich afvragen wat je zoal kan verwachten in een verslag: ziehier een uittreksel uit een vorige tocht naar Santiago.



1.     Gisteren hebben we ongeveer 90 kilometer afgelegd en dat blijkt toch een hele prestatie als we achteraf in onze reisgids het traject nog eens bekijken en de niveauverschillen die we daarbij hebben moeten overwinnen met onze ogen nog eens aftasten. Dat gaat veel vlugger dan met onze wielen. Onze elektronische kilometertellers geven aan dat we ongeveer 18 kilometer per uur gemiddeld hebben afgelegd en dat ondanks onze kilos bagage en onze fietsen die toch geen professionele modellen zijn zoals die waarover Boonen en co. kunnen beschikken. Achteraf zal blijken dat dat ons dagelijks gemiddelde zal zijn. “Meer moet dat niet zijn”, zou broertje zeggen met één van zijn gevleugelde clichés, en “zo is dat” (nog één van zijn clicheetjes).
Ja als je een paar dagen met je broer optrekt dan begin je hem wel wat beter te kennen, en hij mij ook denk ik want hij moet elke dag ongeveer 20 minuten op mij wachten omdat ik toch wel wat trager wakker word en bovendien wat trager door deze wereld evolueer, ik heb namelijk overal wat meer tijd voor nodig. Dat is al zo van bij mijn geboorte, mijn moeder zegt altijd dat ze dacht dat ik “te lui” was om geboren te worden (heeft ongeveer twee dagen geduurd van de eerste wee tot aan mijn eerste geschrei). Ze vergeet er wel bij te zeggen dat we met zijn tweeën waren om het werk te doen (nee ik ben geen deel van een tweeling maar mamalief moest toch ook pushen en persen en…, bon soit, dat is een ander verhaal, dit is geen plaats voor een reality programma).
Zoals gezegd moet broerlief elke morgen een klein halfuurtje op me wachten vooraleer ik klaar ben met tanden poetsen, inpakken en de fiets weer in orde brengen. Dat laatste is wel heel belangrijk vind ik als je de hele dag van dat vervoermiddel moet gebruik maken, dus het mag wel wat langer duren: ketting smeren, remmen nakijken, bandenspanning checken. Af en toe doe ik dat ook met mijn broer zijn fiets (wat trouwens mijn vorige fiets is die ik thuis nog heb staan als reservevehikel) maar dan zonder dat hij het ziet, hij is oud en wijs genoeg (oud in ieder geval zeker…) om dat zelf te doen. Maar het moet gezegd: hij zaagt er niet over of maakt er zelfs geen opmerking over dat hij zo lang moet wachten ‘s morgens, en dat heb ik in het verleden met andere mensen wel anders meegemaakt. Maar hij heeft er begrip voor en zoals het een echte zen-boedhist betaamt zegt hij zélf dat geduld een mooie gave is. Ik kan dat natuurlijk alleen maar beamen, als de andere mensen in mijn omgeving weer eens heftig en snel te keer gaan dan kijk ik ook geduldig toe totdat ze wat bedaard zijn. Bovendien leven diersoorten die trager zijn veel langer: hoe lang leeft een mier, een muis of hamster, en vergelijk dat eens met een olifant zijn levensjaren, of een papegaai?
Misschien vraag je je nu af wat deze bepeinzingen in dit reisverslag doen, maar het zijn maar enkele van de gedachten die me bezighouden op de fiets onderweg want we wisselen eigenlijk weinig woorden op onze tocht maar genieten des te meer van de stilte en het landschap en dat vind ik prima zo.
Of we vandaag ook nog veel kunnen genieten valt nog te bekijken want de opkomende wolken van gisteravond hebben nu een dik wolkendek gevormd en als we ons hoofd buitensteken merken we dat er regen in de lucht zit maar toch nog niet in de vorm van druppels naar beneden komt. Vlug ontbijten dan maar. Eerst en vooral vragen we aan elkaar of de ander ook zoveel last heeft gehad van enkele “pelgrims” die naam onwaardig die nogal laat arriveerden, met de auto dan nog wel die ze nota bene net onder ons raam parkeerden om nadien met luid deurengeknal en veel gegiechel ergens boven onze hoofden hun bedstee op te zoeken. Geen pubers blijkt nu vanmorgen want in de keuken schuifelt de vader van een deel van die bende ietwat onwennig rond en begint zich spontaan te verontschuldigen voor die lawaaimakers die onze en blijkbaar ook zijn nachtrust hebben verstoord. Maar het is niet erg, hij biedt ons een kop koffie aan die we natuurlijk niet afslaan want koffie, dat hebben we zelf niet bij. Zo zie je maar, “elk nadeel heb zijn voordeel” (uitspraak van J.C., de voetballer wel te verstaan). Toch ietwat gesterkt gaan we op weg en dat gaat vrij gezwind omdat we onze beklimming van gisteravond nu in de andere richting moeten nemen, het is te zeggen naar beneden. Het is hier dat we onze hoogste snelheid zullen bereiken, namelijk 57,7 kilometer per uur en dat is toch wel bijzonder omdat de eerste druppels ondertussen naar beneden zijn gekomen en het wegdek niet ongevaarlijk vochtig is geworden. Met de ogen en de billen dicht zoeven we naar beneden maar het plezier is natuurlijk van korte duur, al vlug moeten we terug naar boven klimmen terwijl de regen steeds nadrukkelijker naar beneden komt en onze reis toch ietwat bemoeilijkt al was het alleen maar om het feit dat de kaarthouder niet waterdicht blijkt te zijn bij dit soort weer. De eerste tussenstop in Dun sur Meuse dat, hoe kan het anders, aan de Maas ligt, grijpen we dan ook bijzonder dankbaar aan om een soort verlate brunch te nemen. Gelukkig zijn er in de hoofdstraat die ook langs de Maas loopt heel wat bakkers en theehuisjes gelegen waar je rustig iets kan verorberen. Bij het naar buiten kijken bemerk ik tussen de regendruppels dóór een monument voor de oud-strijders, iets wat reeds nadrukkelijk aanwezig is op onze reisroute sinds de Ardennen, maar we komen hier dicht in de buurt van Verdun en het is in deze streek dat de grootste begraafplaatsen van Europa uit de eerste wereldoorlog liggen. Helaas is het geen weer om even onze eerbied voor de gevallen helden te betuigen, ik hoop dat ze er begrip voor kunnen opbrengen. We rijden zo vlug mogelijk door naar onze bestemming voor vandaag die we tijdens onze brunch hebben uitgezocht want voor de rest van de dag is het niet meer aangeraden om de reisgids bloot te stellen aan de natuurelementen, die zou immers gezwind verwateren tot een massaloze klomp pulp. Onderweg komen we nog voorbij de “Abris du Kronprinz”, een loopgravenstelsel dat werd aangelegd voor de oudste zoon van de (Duitse) Keizer die hier zogezegd de gevechten kwam leiden maar in werkelijkheid een luxeonderkomen was voor hem en de opperofficieren van het Duitse leger. Ze zijn nog te bezichtigen, maar dat zal voor een andere keer zijn want als we nu stoppen dan vrees ik dat we nadien geen zin meer hebben om op onze fiets te kruipen.
Ons doel ligt wel ongeveer 5 kilometer van de reisweg af dus we hopen maar dat we daar terecht kunnen want om in dit weer 5 kilometer terug te rijden en verder te zoeken naar een onderkomen is geen lachertje. Op de kaart hebben we ook gezien dat vlak vóór het dorp (Le Claon) dat we willen bereiken een abdij is en we hopen dat we daar terecht kunnen voor onderdak. Helaas, niemand aanwezig en het blijkt ook geen abdij te zijn met slaapgelegenheid dus moeten we wel verder naar Le Claon en hopen we in alle stilte dat de Chambre d’Hôte die in onze gids vermeld staat ons kan ontvangen en dat we vlug een warme douche kunnen nemen om die koude regendruppels van ons gezicht te spoelen. Bij het oprijden van het domein valt het ons al vlug op hoe mooi het hier is: een vijver en daar rond verspreid enkele leuke huisjes. In één van die huisjes is wel iemand aanwezig maar hij zegt dat we voor slaapgelegenheid in het hoofdgebouw moeten zijn maar voegt er onmiddellijk aan toe dat hij denkt dat er niemand is want hij heeft al geruime tijd geen beweging bemerkt in of rond het gebouw. Dat belooft weeral. We bellen toch aan maar inderdaad, niemand aanwezig, als we telefoneren neemt ook niemand de telefoon aan. We bellen aan de overzijde van de weg aan bij een huis waar toch enige activiteit te ontwaren valt maar het verwondert de heer des huizes ook dat de mevrouw (een al wat oudere dame van 76 jaar vertelt hij ons) die de chambre d’hôte runt geen teken van leven geeft want ze verlaat omzeggens nooit het pand. Zijn woorden zetten ons aan het denken en we stellen ons al voor dat de dame in kwestie ergens in het reusachtige huis met haar pootjes omhoog ligt te zieltogen of erger nog, dat haar stoffelijk overschot in verregaande staat van ontbinding onze laatste kans op een rustige nacht heeft ontnomen. Er wordt wat heen en weer gebeld maar zonder resultaat, niemand in het dorp schijnt te weten waar deze mevrouw vertoeft en heeft haar al enkele dagen niet meer gezien. “C’est bizarre” verzucht iedereen. Wij hopen ondertussen dat iemand anders ons een slaapplaats aanbiedt want sommige van de huizen uit dit toch wel minidorp (hooguit een 25-tal huizen) ogen bijzonder fraai. Als tenslotte na bijna een uur een auto het domein oprijdt slaken alle dorpelingen een zucht van verlichting en wordt de dame in kwestie met bijna Koninklijke eer ontvangen, niet in het minst door ons natuurlijk. “Et bien, pour une fois que je sors…” zegt ze nog met een kwinkslag, want het bleek dat gezien het slechte weer ze maar besloten had om wat pateekes te gaan eten met één van haar al even oude vriendinnen, ze had niet verwacht dat iemand dit hondenweer zou durven trotseren om tot bij haar te geraken. Dat was natuurlijk buiten de gebroeders Dias gerekend die nu wel smachten om een warme douche. Kamers genoeg zo blijkt, maar mevrouw is bezorgd dat haar vasttapijt (overal in huis prominent aanwezig) doorweekt zal worden door onze lekkende kledij. We verzekeren haar dat het alleen onze overkleren zijn, het is te zeggen onze regenkledij, die doorweekt is. Die mogen we beneden achterlaten en na het uittrekken van de schoenen tenen wij naar boven. Wat ze blijkbaar niet hoort is dat onze sokken bij elke stap zompige geluiden maken alsof we doorheen een veen waden. Onze schoenen zijn namelijk bewust zo licht mogelijk aangekocht en niet bestand tegen een halve dag regen. Vasttapijt, ik haat het sinds ik een bezoek bracht met één van mijn eerste vriendinnen aan Londen. Het zorgde immers voor de nodige statische elektriciteit waardoor de vriendin in kwestie makkelijker kon zeggen van “raak me niet aan” (de vonken sprongen er immers vanaf bij de minste vluchtige aanraking van mijn onervaren lippen en haar poezelige wang). Bovendien is het een broeinest van bacteriën, zeker als het ook in de badkamer ligt zoals al vlug blijkt. Ik besluit wijselijk niet op mijn blote voeten te lopen en overal mijn reserveschoenen aan te houden (Teva-sandalen voor als het ooit eens mooi weer mocht worden…). Van die statische elektriciteit heb ik gelukkig geen last, bovendien heeft mijn broer geen poezelige wang en zal de verleiding dus niet erg groot zijn… maar, het is een tweepersoonsbed waar we het zullen moeten mee stellen want voor een extra bed dat op een soort overloop staat te mogen gebruiken vraagt ze een exuberant hoge prijs en dat is het ons ook niet waard. Dus besluiten we de truuc van de talrijke neven en nichten toe te passen. Toen we nog heel klein waren (jonger dan 8 jaar denk ik) sliepen we wel eens in het huis van de ouders van ons moeder in Tongeren (een oude boerderij in de stijl van de boerderijen die nu nog in Bokrijk te bezichtigen zijn) met alle neven en nichtjes en het aantal bedden was daar beperkt waardoor we soms met 5 (jawel, vijf) kinderen in één bed moesten slapen (de 7 zusters hebben gezamenlijk voor een nageslacht van 23 koters gezorgd). Maar er werd een truukje gebruikt: 3 kinderen lagen gewoon met hun hoofd op het kussen zoals gebruikelijk, maar de andere twee lagen omgekeerd in bed, met hun hoofd aan het voeteinde dus. Nu gaat dat nogal tamelijk vlot als je héél jong en klein bent, maar naarmate we ouder werden en onze ledematen groeiden gebeurde het wel eens dat we wakker werden met de tenen van één van onze neven of nichtjes in de neusgaten. Maar daar was nu geen gevaar voor, verzekerde mijn broer me. Hij zou in zijn slaapzak slapen, met zijn hoofd aan het voeteinde, en ik mocht gewoon tussen de lakens. Leek me een prima voorstel maar dan moest ik me wel inhouden als ik hem instinctief een tikje met de voet zou willen geven mocht hij beginnen snurken (dat gebeurt gewoonlijk zo een dertigtal seconden na inslapen…) anders zou hij wel eens tandenloos wakker kunnen worden wat zijn uitspraak van het Frans misschien wel zou kunnen bevorderen maar anderzijds het esthetisch aspect niet verhoogt. Dit truucje van de talrijke neven en nichten zullen we op onze reis nog een paar keer moeten toepassen maar ik heb telkens redelijk goed kunnen slapen, beter dan verwacht eigenlijk, en broerlief ook zei hij dus maken we er voor de rest van de reis eigenlijk niet veel misbaar meer over mocht er enkel een tweepersoonsbed ter beschikking zijn.
Als we fris gewassen beneden komen staat ons een rijkelijk gevulde tafel te wachten: een paar sneden brood met confituur, wat fruit en nog wat beleg dat ze ergens uit de kast heeft weten te toveren. Ja er is in het dorp natuurlijk geen restaurant en ze heeft haar best gedaan om nog iets voor ons bijeen te toveren ondanks het feit dat ze slecht te been is: buitenhuis gebruikt ze een wandelstok, binnenshuis glijdt ze als een blinde langsheen de muren en gebruikt dan alles wat vastzit om zich aan vast te klampen en zich op die manier voort te bewegen, heel inventief maar toch wel wat zielig dat zulke oude kranige dame niet gewoon van haar pensioentje kan genieten en op haar gevorderde leeftijd nog moet zorgen voor verzopen wielertoeristen uit België. We hebben wel honger en dat is de beste saus, geen warme maaltijd vandaag maar we hadden tijdens onze verlate brunch al een quiche lorraine naar binnen gewerkt en die was opgewarmd in de plaatselijke microbengolfoven, daar zullen we het vandaag mee moeten doen. Mevrouw verzekert ons dat ze een “redelijke prijs” zal aanrekenen voor deze Koninklijke maaltijd. Ik ben benieuwd want als ik het interieur wat nader bestudeer merk ik niets dan Louis XIV, XV en VI-meubelen (lees respectievelijk catorze, quinze en seize). Alles kraakhelder (afgezien van het vasttapijt dan dat er wel proper uitziet maar je kent ondertussen mijn mening daarover). Als we de lege borden terug naar de keuken brengen merken we dat dat haar werkterrein is waar ze blijkbaar al haar activiteiten uitvoert, ook de boekhouding. Alles staat hier opgestapeld maar ik twijfel er niet aan dat zij blindelings iets terugvindt mocht je het haar vragen. Ik wil er nog een foto van nemen maar besluit wijselijk dat ik zoiets niet kan doen zonder haar boos te maken, ze zou het zeker niet goedkeuren dat haar heiligdom zo maar te grabbel wordt gegooid op het internet.
We besluiten weer vroeg onder de dekens (en slaapzak dus) te kruipen want we verlangen toch wel naar een warme, behaaglijke nachtrust na deze druilerige en uitgeregende fietstocht langsheen talloze oorlogs- en loopgraven waar menige jonge knaap het leven heeft gelaten voor het vaderland. “Some mother’s son lies in the field” zongen de Kinks ooit, prachtige aanklacht tegen een zinloze oorlog. Met dat enig mooie deuntje in het achterhoofd dommel ik rustig in terwijl de regen weer op het schuine dak het ritme van de pedaalslagen van morgen aangeeft.


Als we ’s morgens wakker worden zijn onze kleren gelukkig droog. Onze keukenprinses had ons een droogrekje geleend, je kent dat wel, van het type waar je eerst een half uur mee moet worstelen waarna iemand anders je uit de omklemming van het rek moet halen om het vervolgens doodleuk in vijf seconden op te stellen. We hebben zelfs ons geld moeten drogen, ik had dat in mijn broekzak laten steken dom genoeg, maar de Euro is sterk en dat blijkt nu ook, ’s morgens lijken het terug nieuwe biljetten van 20 die liggen te blinken. Onze kilometertellers tonen ons dat we welgeteld 76,76 km hebben afgelegd. Bizar als je bedenkt dat onze “keukenprinses” ook 76 jaar is. Toeval bestaat niet zegt men wel eens, mensen die geloven in getallensymboliek hebben hier ongetwijfeld een leuke kluif aan. Wij kluiven ondertussen ons ontbijt naar binnen. “Petit déjeuner” is het weer, en dit keer erg letterlijk, enkel wat sneetjes brood en ook de potten confituur zijn weer van de partij. Ik houd wel van jammen, maar dan liefst met de gitaar…  Ondertussen is broertje natuurlijk weeral vlugger klaar dan ik en rekent hij af met onze gastvrouw. We hadden gisteren nog een list bedacht om lekker te kunnen slapen, namelijk tegen haar zeggen dat we alleen maar de tweepersoonskamer namen en niet het bed op de overloop, om dan toch nog van het laatste gebruik te maken door erop te slapen in de slaapzak, want ze geraakt toch niet tot op de tweede verdieping om ons te controleren, maar wel opgevoed zoals we zijn hebben we toch maar van dat plan afgezien en het truukje van de talrijke neven en nichten toegepast, een truukje dat iedereen wel kan toepassen tenzij één van je neven een nicht is natuurlijk… Bovendien blijkt nu dat ze erg schappelijk is in het berekenen van haar prijzen voor avondmaal en ontbijt, geen euro teveel wil ze ervoor. Het afscheid is dan ook hartelijk en we hopen dat het haar verder goed gaat en dat ze nog veel pelgrims over de vloer mag hebben, maar ze verzekert ons dat ook “gewone toeristen” de weg vinden naar haar vasttapijtparadijs...


No hay comentarios:

Publicar un comentario